CrossOvernieuws

Elke probleemjongere één coördinator

Jongeren met meerdere problemen verdwalen vaak in een doolhof van instanties. Daarom zou er per jongere één coördinator moeten zijn die hem of haar helpt een plek te vinden in de samenleving. Dat staat in het ontwerpadvies dat de SER-commissie voor de participatie van jongeren met gedrags- en ontwikkelingsstoornissen voorbereidde.
Voorzitter Theo Bovens over de noodzaak tot meer samenwerking in de jeugdzorg.

Er zijn vele jongeren met een lichte verstandelijke beperking, een autistische stoornis, ADHD, borderline, schizofrenie, onaangepast of agressief gedrag. Hoe kunnen we hen beter voorbereiden op participatie in de samenleving? Over die vraag van minister Rouvoet voor Jeugd en Gezin heeft een speciale SER-commissie begin november een advies voorbereid. Het ontwerpadvies werd begin november gepresenteerd. Voorzitter van de commissie was kroonlid Theo Bovens, in het dagelijks leven bestuursvoorzitter van de Open Universiteit.

‘Wij hebben ons als commissie vooral gericht op de groep met ‘multiproblematiek’: jongeren met een ontwikkelings- of gedragsstoornis die ook te maken hebben met problemen als drank- of drugsgebruik, huiselijk geweld, schulden of dakloosheid. De meeste jongeren met enkelvoudige problematiek die thuis, op school of in de zorg tijdig worden opgevangen, komen wel ergens terecht.
Ze gaan naar school, of vinden een plek op de arbeidsmarkt, inclusief de sociale werkvoorziening. De jongeren met multiproblematiek raken verdwaald tussen alle instanties met wie ze te maken krijgen. We hebben geprobeerd schema’s te maken van de instanties die er allemaal zijn voor deze jongeren. Dat blijkt echt een doolhof.’

Moet de zorg voor deze jongeren op de schop?
‘Het hele stelsel op de schop nemen is op dit moment een brug te ver. Er is de laatste jaren al veel nieuw beleid in gang gezet in het onderwijs, de zorg en op het gebied van participatie. De betrokkenen zouden hoorndol worden als we opnieuw met ingrijpende aanpassingen komen. Wij adviseren het kabinet samenwerking tussen alle betrokken instanties af te dwingen. Elke jongere moet terug kunnen vallen op één professional die de ondersteuning op meerdere terreinen coördineert. De jongere zou een stem moeten krijgen bij de keuze wie dat is.

Er moet een systeem komen waarin de jongeren en hun individuele ondersteuningsbehoefte centraal staan. Daar is op zichzelf natuurlijk iedereen voor. Maar om het zo te regelen dat ook de ingewikkelde wettelijke kaders en gescheiden geldstromen dat stimuleren, is niet eenvoudig. Er moet ook meer helderheid komen over wie de regie heeft. Dat zouden de gemeenten moeten zijn, maar daar is nog veel weerstand en wantrouwen tegen. En we moeten hen er ook op kunnen afrekenen.’

Hoe komt het dat er steeds meer probleemjongeren zijn?
‘Er is vooral een groei van het voorzieningengebruik. Het werk wordt ingewikkelder, waardoor er ook hogere opleidingseisen worden gesteld. Onze hele maatschappij is complexer geworden, het tempo ligt hoger en communicatieve vaardigheden zijn steeds belangrijker. In het onderwijs wordt van jongeren steeds meer zelfwerkzaamheid gevraagd, ze moeten ook meer samenwerken, maar dat kunnen sommige jongeren helemaal niet. Je ziet sterke ‘push-out’-factoren: er wordt sneller naar het speciaal onderwijs verwezen.’

Zijn we te scheutig geworden met etiketten als ADHD?
‘We hebben geen aanwijzingen gevonden dat er sprake is van onnodige medicalisering. We hebben ook niet de indruk dat stoornissen als autisme en ADHD vaker voorkomen dan twintig jaar geleden. Ze worden wel beter herkend en dus ook behandeld. Tegelijkertijd zijn er nog altijd jongeren die ondanks ernstige problemen niet behandeld worden, omdat hun stoornis niet onderkend is. Hoewel we vroegsignalering belangrijk vinden, kan een nadeel ervan etikettering zijn. Dan blijf je levenslang die ADHD’er waarvan het geen wonder is dat die er niet tussenkomt. Betere voorlichting helpt tegen vooroordelen. Daardoor weten mensen nu bijvoorbeeld wel dat niet iedereen met een autistische stoornis een Rainman is.’

Is het niet zo dat in deze kenniseconomie niet iedereen mee kan?
‘Dit is een optimistisch advies. Er kan nog veel verbeteren in het ondersteunen van deze jongeren op weg naar werk.’

Dit advies komt op een lastig moment.
‘De SER gaat uit van de noodzaak van een grotere arbeidsparticipatie in de toekomst. We willen ons niet neerleggen bij het gegeven dat een grote groep jongeren langs de kant staat, al moeten we accepteren dat participatie voor een klein deel niet haalbaar is. Ook in deze tijd van crisis zagen we bij de professionals in het veld veel animo, betrokkenheid en motivatie. Maar de uitstroom onder hen is erg groot vanwege de hoge werkdruk, te weinig ruimte om het werk zelf in te vullen en het salaris. Er moet meer tijd komen voor deskundigheidsbevordering en ze moeten meer doorgroeimogelijkheden krijgen in hun vak, net als de leraren.’

Wat willen de jongeren zelf?
‘Ze willen gewoon een opleiding, werk, een huis en geen schulden of andere problemen. Om dit te realiseren, hebben ze een vaste, betrouwbare contactpersoon nodig die niet te vaak wisselt. Op de arbeidsmarkt hebben de meesten begeleiding van een jobcoach nodig, en een werkgever die rekening houdt met hun stoornis: ze hebben veel structuur nodig. Maar dit advies verklaart deze jongeren niet tot zielig. Er ligt ook een grote verantwoordelijkheid bij henzelf.’

Ontstaat de ‘multiproblematiek’ niet vooral door maatschappelijke problemen?
‘Zeker, daarom zien we preventie als cruciaal. Dat betekent ook: kijken naar de sociale context van deze jongeren en risicogezinnen ondersteunen. We vragen het kabinet bijvoorbeeld ook om maatregelen om alcohol- en drugsgebruik en het aangaan van kredieten door jongeren te ontmoedigen. Die werken probleemversterkend. We hebben in de voorbereiding van dit advies een werkbezoek gebracht aan Rotterdam.
De hulpverleners die we daar spraken, willen het liefst dat de coffeeshops gesloten worden.’

Wat zouden de sociale partners meer kunnen doen?
‘Sociale partners beseffen dat er iets aan het probleem moet worden gedaan. Aanvankelijk dachten ze dat het actieplan naar aanleiding van het SER-advies over de Wajong Meedoen zonder beperkingen uit 2007 voldoende was. Er staat in 21 procent van de cao’s een paragraaf over de Wajong. Dat wilden ze voor deze groepen uitbreiden. Maar inmiddels zien ze dat dwingender afspraken noodzakelijk zijn. De hoge werkdruk veroorzaakt enige angst om deze jongeren in dienst te nemen. Voor deze groep moeten functies aangepast en gecreëerd worden. Bij de grote bedrijven en het mkb gebeurt al veel, maar er zijn ook 1 miljoen zzp’ers, misschien kunnen die een jongere gezel aannemen. Maar als werkgevers stageplaatsen, werkervaringsplaatsen en banen beschikbaar stellen, dan moeten ze ook goede ondersteuning krijgen.’

________________________________________

‘Autisten zoals ik hebben heel veel kwaliteiten, maar daar is geen aandacht voor. Er gaat heel veel geld zitten in scholing en begeleiding, maar daarna houdt het op. Dat is toch zonde van al die talenten.’
Klaas, hoogbegaafd en PDD-NOS

‘Mijn zoon Sander kan niet zelf zijn verhaal vertellen. Hij ontkent namelijk in alle toonaarden dat er iets mis is met hem. Tien jaar heeft hij Ritalin geslikt en daarna ging het snel bergafwaarts. Zelf vindt hij dat hij zichzelf niet is als hij die medicijnen slikt. Maar zonder medicijnen functioneert hij niet.’
Moeder Annette over zoon Sander (23), ADHD

‘Vanaf mijn dertiende ben ik verslaafd aan softdrugs en toen ik op straat ben gaan leven, werden dat al snel harddrugs. Ik kwam toen in aanraking met de politie.’
Danielle (24), ADHD, drugsproblematiek en schulden
 
Bron: SER 

buitenland

Eindelijk een mooie, activerende site voor werkgevers. Stuur een e-card of bekijk de 'Field Guide'! Thinkbeyondthelabel