CrossOvernieuws

28.09.07

Minder arbeidsgehandicapten aan het werk

De arbeidsparticipatie van arbeidsgehandicapten daalde van 44% in 2000 naar 40% in 2005.

Dat blijkt uit de SCP-publicatie Beter aan het werk. Trendrapportage ziekteverzuim, arbeidsongeschiktheid en werkhervatting die op donderdag 27 september jl. is verschenen. In het rapport, onder redactie van drs. Gerda Jehoel-Gijsbers (SCP), wordt een beeld gegeven van de ontwikkelingen in ziekteverzuim, arbeidsongeschiktheid en werkhervatting. Het rapport is tot stand gekomen in samenwerking met het CBS en TNO Kwaliteit van Leven.   

Volumedoelstelling wél gehaald, participatiedoelstelling niet

Na vele vergeefse pogingen in de afgelopen decennia om de verzuim- en arbeidsongeschiktheidsproblematiek het hoofd te bieden, is in enkele jaren tijd veel resultaat geboekt. Het ziekteverzuim en de instroom in de arbeidsongeschiktheid zijn sterk afgenomen (volumedoelstelling). Tegelijkertijd echter is de arbeidsparticipatie van arbeidsgehandicapten gedaald in plaats van gestegen, van 44% in 2002 naar 40% in 2005 (participatiedoelstelling). Deze daling kan niet worden verklaard door persoons- of achtergrondkenmerken van deze groep. Mogelijk nemen werkgevers vooral hun verantwoordelijkheid voor hun eigen (ex-) werknemers en zijn zij terughoudender geworden met het aannemen van arbeidsgehandicapten ‘van buiten’. Overigens blijkt  dat arbeidsgehandicapten zich de laatste jaren ook wat vaker als zelfstandige vestigen.

Instroom in WAO in vijf jaar sterk gedaald

In vijf jaar tijd is de instroom van werknemers in de arbeidsongeschiktheid sterk gedaald, van 13 per 1000 werknemers in 2001 naar 4,5 per 1000 werknemers in 2006. Onder mannen nam de instroom in de WAO af van 10,8 per 1000 werknemers in 2001 naar 7,8 in 2004. Onder vrouwen daalde dit aandeel in diezelfde periode van 16,8 per 1000 werknemers in 2001 naar 9,1  in 2004. Bij vrouwen met kinderen was de daling zelfs nog iets sterker. Het aantal vrouwen dat vanwege psychische klachten arbeidsongeschikt wordt verklaard, halveerde in drie jaar tijd van 20.000 in 2001 naar 10.000 in 2004.

Hoewel vrouwen relatief vaker arbeidsongeschikt worden verklaard dan mannen, daalt hun instroom in de WAO sneller.

Uitstroom uit de WAO jarenlang stabiel

Binnen 12 maanden heeft circa 20% van de werknemers die in de WAO zijn ingestroomd de WAO alweer verlaten: 15% naar werk, 2% naar een andere uitkering (WW, Bijstand), 2% vanwege ‘demografische uitstroom’ (bereiken van 65-jarige leeftijd, overlijden) en 1% vanwege ‘terugtrekking van de arbeidsmarkt’. Binnen vijf tot zes jaar na instroom in de WAO is circa de helft van de uitkeringsgerechtigden minimaal één keer uit de WAO gestroomd. Circa 30% stroomt uit naar werk. Na het eerste jaar in de WAO nemen de uitstroomkansen wel sterk af

De kans op uitstroom was in de periode 1998-2003 vrij stabiel  en bleek nauwelijks beïnvloed door de conjunctuur of de verandering in de WAO-instroom, die vanaf 2001 scherp daalt.

Uitstroom uit de WAO naar werk niet voor iedereen gelijk

Van degenen die vóór 2001 in de WAO kwamen, verlieten mannen vaker de WAO voor werk dan vrouwen. Vanaf 2000 nam de uitstroom naar werk bij mannen af, terwijl deze bij vrouwen toenam, vooral bij vrouwen met jonge kinderen. Van de vrouwelijke werknemers met jonge kinderen die in 1998 arbeidsongeschikt werden, verliet 19% binnen 24 maanden de WAO voor werk, van de 2002-instroom was dat 24%. Bij de mannen met jongere kinderen was er in diezelfde periode juist een afname te zien van 32% naar 24% terug naar werk.

Van de werkhervatters in de periode 1998-2003 had 17% binnen 12 maanden het werk weer verloren.

Van de arbeidsongeschikten uit de sectoren overheid en zorg ging een relatief groot deel weer aan het werk, voor de sectoren uitzendwezen en bouw & hout was dat veel minder. Bij de overheid trad in de periode 1998-2003 een toename in de uitstroom naar werk op, terwijl er in het uitzendwezen juist sprake was van een afname. Bij de overheid steeg het percentage dat binnen 24 maanden na WAO-intrede uitstroomt naar werk van 23% voor het instroomcohort 1998 naar 33% voor dat van 2002. Voor het uitzendwezen bedroegen deze percentages respectievelijk 20% en 14%.

Inkomensontwikkeling

De inkomensontwikkeling van de ‘werkhervatters’ is positiever dan die van de blijvers in de WAO, maar het verschil is niet erg groot. Reeds bij WAO-intrede blijken de latere werkhervatters er minder vaak op achteruit te zijn gegaan dan de blijvers. Toch heeft ruim een derde (37%) vier jaar na werkhervatting een lager inkomen dan in het laatste WAO-jaar.

buitenland

Eindelijk een mooie, activerende site voor werkgevers. Stuur een e-card of bekijk de 'Field Guide'! Thinkbeyondthelabel